Een beeld in het bos

Achter op deze krant staat een rubriek die ik zelden oversla. Onder het kopje 'Naast het nieuws' is een foto te zien. Dat 'Naast' is vet gedrukt en krijgt zodoende enige nadruk. 'Naast' suggereert hier: je telt niet lemaal mee. Andere foto's waren beter dan jij.

Ik hou van de foto's in deze mooie buitenwijk van de krant. Vaak vertellen zij mij meer over leven, liefde en dood dan al die nieuwsfoto's op de bladzijden ervoor.

Afgelopen woensdag stond er weer zo'n mooie foto achterop. Je ziet een open plek in een bos, waar een aantal mensen op evenementenstoelen verzameld is rond een beeld dat zo te zien van de heilige Antonius van Padua is. De bruine franciscaner pij, een lelie (symbool van kuisheid) en een boek in zijn linkerhand waarop het Christuskind zit.

De gelovigen zitten gescheiden van elkaar. Voor in beeld zit een man (een vader?) met vier kinderen, je ziet hen op de rug. Het meest linkse kind kijkt om naar de fotograaf. Rechts zit een vrouw alleen. Dat zou de moeder van het gezin kunnen zijn. Ze heeft voor de gelegenheid een mooie oranjekleurige jurk aangetrokken. Waarom zijn zij naar deze open plek in het bos gekomen? Zijn ze iets kwijt? (Sint-Antonius is de patroon van de verloren voorwerpen.)

Het bijschrift vermeldt dat de foto is genomen in de Ghanese stad Kumasi. "Deze gelovigen nemen deel aan een dienst in de openlucht", staat er. We weten nu iets meer, maar niet veel meer. Toch is het meer dan genoeg.

Op internet lees ik dat Kumasi (anderhalf miljoen inwoners) de op een na grootste stad van Ghana is en een stedenband heeft met Almere. Ik moest aan een andere iconische plaats in ons land denken: Kaatsheuvel, of meer precies het Sprookjesbos van de Efteling.

Daar zag ik zo'n vijfenveertig jaar geleden voor het eerst het beeld van Roodkapje. Ze belde aan bij het huis waar de grote boze wolf in bed moest liggen, maar die kon ik aanvankelijk nog niet zien. Het gaf niets. Alleen Roodkapje maakte al veel in mij los: nieuwsgierigheid, angst.

Ik wil de heilige Antonius geenszins vergelijken met Roodkapje, maar toen ik die mensen in dat bos in Ghana verzameld zag, moest ik dus meteen aan dat brave meisje in het pretpark denken. Beide beelden prikkelen zoiets als de verbeelding. Bij de een is de ervaring religieus, bij de ander is het meer fantasie. Dat effect bereik je alleen maar als je je overgeeft en alle ratio terzijde legt, anders blijft een beeld in het bos een beeld in het bos.

Laatst noemde iemand mij in deze krant een 'sprookjesaanbidder'. Het was geloof ik niet bedoeld als compliment. Zowel bij het katholiek geloof als bij sprookjes - is dan de redenering - gaat het om mooi geschreven verhalen, met een vleugje magie, maar uiteindelijk is het allemaal nep.

Ik weet niet precies wat ik geloof, maar ik geloof heel erg in taal. Rijke taal, niet dichtgetimmerd, maar met kieren tussen de letters waardoor vergezichten en visioenen tevoorschijn kunnen komen.

Wie schrijft er tegenwoordig nog sprookjes? Wie denkt er nog weids? Wie neemt ons nog op sleeptouw met een verhaal? Met het langzaam verdwijnen van wat wel de 'grote verhalen' worden genoemd uit onze samenleving, lijkt ook onze verbeeldingskracht schade te hebben opgelopen.

Ik zag afgelopen zondag vijf stropdassen op televisie met elkaar in debat gaan. Er werden heel wat woorden achter elkaar geplakt. Zo maar, zonder dat iemand er wat aan deed. Vast en flex, voltooid en leven, vluchtelingen en instroom. Nergens een weids vergezicht, alles dichtgesmeerd met korte termijn-taal.

Deze tijd schreeuwt om beelden in het bos. Ik doe een voorstel: we halen massaal evenementenstoelen weg uit gokhallen, concertzalen en overheidsgebouwen en samen lopen we het bos in. Eenmaal aangekomen op de open plek staat het beeld ons al op te wachten. Eerst is het stil. Dan begint iemand te bidden, een ander zet een bijna vergeten lied in, een derde droomt hardop.

Na afloop zal iedereen zeggen iets anders ervaren te hebben, maar niemand beweert dat er in dat bos niks is gebeurd.

En daarom noem ik mij zelf sprookjesaanbidder.

 

Deze column verscheen eerder in Trouw van 4 maart 2017. 

Geschreven op: 17-3-2017

Lees volledig bericht.
 

Ergens jaloers op de CDA-stemmer

Als je de mentale staat van een land moet afmeten aan het aantal kieswijzers, zijn we met z'n allen compleet in de war. De Stemwijzer, het Kieskompas, de Diaconale stemwijzer van Kerk in Actie, de Dierenkieswijzer, de Casinowijzer en de Cannabis Kieswijzer: je kunt het zo gek niet bedenken of het is al bedacht.

En het helpt me helemaal niets. Ik zweef alleen maar meer. Je zou bijna gaan terugverlangen naar de tijd dat je vanaf de kansel werd voorgeschreven welk vakje rood moest worden gekleurd.

Gelukkig is er zo iemand als Carla Wijnmaalen. Deze week stond ze in de rubriek 'Kruitdampen' van deze krant waarin onder meer aan potentiële kiezers gevraagd wordt wat ze gaan stemmen. Carla is gepensioneerd en een dag per week oppasoma. Van dat laatste alleen al word ik rustig. Trouwens ook van haar foto. Met een brede - maar niet te brede -glimlach kijkt ze me aan.

Carla vindt het, nu ze ouder wordt, steeds belangrijker dat een politieke partij zich breed inzet. Bij de VVD voelt ze een soort laatdunkendheid over mensen zonder baan. Alsof je het aan jezelf te wijten hebt. Het CDA zet zich volgens haar in voor ouderen én werkenden. Mede daarom stemt ze op die partij.

Ik ben een beetje jaloers op Carla. Ik verlang er al heel lang naar om CDA te kunnen stemmen. Maar het is me nog nooit gelukt. Uiteindelijk toch te veel een bestuurspartij, uit op macht. Als het erop aankomt te veel berekening en te weinig principes. En welke stemwijzer ik ook invul, welke antwoorden ik ook geef, van de digitale kansel hoor ik nooit: 'Stem CDA.'

En ik wil het zo graag.

Ik ben namelijk gesteld op de CDA-stemmer. Ze zijn vaak wat ouder, actief in de kerk en druk met vluchtelingen of ander vrijwilligerswerk in de buurt. En dan ook nog oppasoma, zoals Carla Wijnmaalen. Ze zijn gespecialiseerd in wat wel gemeenschapszin genoemd wordt. Een raar woord, maar u begrijpt wat ik bedoel. Ach, eigenlijk zegt Carla het beter: "We moeten omzien naar elkaar." En zo is het.

Deze week las ik een interview met CDA-lijsttrekker Sybrand Buma in de Volkskrant, er stond een enorme foto van hem bij. Buma maakt altijd een beetje een eenzame indruk. Hij doet me denken aan dat verlaten bord met 'Kies CDA' erop, dat in het uitgestrekte weiland langs de A2 staat, tussen de afslagen Vinkeveen en Abcoude in. Ik wilde hem aankijken, maar nog voordat onze ogen elkaar raakten, begon hij tegen me te praten. "Stijn, kan ik je toch niet verleiden om op het CDA te stemmen? Wil je daar niet eens over nadenken? Jij wil toch ook een fatsoenlijk land dat je kunt doorgeven?"

Met dat doorgeven raakte hij een gevoelige snaar. Ik beloofde hem nog een kans te geven.

Eerst maar eens het interview scannen op voor mij belangrijke thema's als vluchtelingen en klimaat. Over het laatste zegt hij: "Het verdrag van Parijs legt het klimaatbeleid vast. Die opgave is groot. Wij schrijven geen maatregelen voor die daar overheen gaan. Ik ga niet in dit kleine partje van de wereld dingen doen voor het mooie imago." Dit hielp niet echt.

Verderop zegt hij een 'streng asiel- en migratiebeleid' voor te staan. Wat dat inhoudt, lees ik in het verkiezingsprogramma van het CDA. Werkelijke vluchtelingen verdienen een veilige opvang, maar er is ook begrip voor de mensen die zich zorgen maken over de aantallen die op ons afkomen.

Verder moeten vluchtelingen zoveel mogelijk worden opgevangen in hun eigen regio. Want, zo staat er: 'voorkomen is beter dan genezen'. Alsof je het over een kwaal hebt.

Ik keek Buma aan en begon weer hardop te praten. "Ik droom wel eens van een grote, progressieve, christelijke volkspartij, mijnheer Buma. Waar je het geloof kan voelen, maar waarbij de 'C' er niet te dik bovenop ligt. Met dappere keuzes als het gaat om vluchtelingen en het klimaat en God mag weten wat. Een beetje zoals paus Franciscus de dingen doet."

Hij bleef me aankijken en zei niets terug, maar dat hoeft niet te betekenen dat hij me niet heeft gehoord.

Eigenlijk droom ik van een soort Lijst Paus Franciscus (LPF dus - misschien moet ik nadenken over een andere afkorting) met Buma als lijsttrekker.

Een partij met Carla's en heel veel andere oppasopa's en oppasoma's. Mensen voor wie je opstaat in de bus.

 

 

Deze column verscheen eerder in Trouw van 25 februari 2017. 

Geschreven op: 17-3-2017

Lees volledig bericht.
 

Afscheid van D.

D. en ik leerden elkaar zo'n vijftien jaar geleden in Rome kennen. We kwamen elkaar tegen in een kerk. Het was vriendschap op het eerste gezicht. Zij was zo'n vijfentwintig jaar ouder dan ik, maar er was een zielsverwantschap tussen ons die je in je leven maar een paar keer tegenkomt. Nee, er was niets romantisch tussen ons.

We dineerden veel, vaak met een vaste groep vrienden en soms alleen. Dan filosofeerden we over het katholiek geloof. Of ze stelde me gerust als ik weer eens dacht dat ik een dodelijke ziekte onder de leden had. D. was ook van de levenslessen. Dan zei ze dingen als: "Stijn, je moet niet te lang hetzelfde werk doen. Is nooit goed."

Misschien was ze voor mij wel de verpersoonlijking van de stad Rome: veel meegemaakt en daardoor levenswijs. Relativerend en daardoor bron van troost.

Een jaar of zeven geleden dronken we wat op de Piazza Cavour, achter het grote justitiepaleis. Ze was een tijd in Nederland geweest. Haar broer was overleden. "Ik stond naast hem en toen wist ik het zeker: er is niks na de dood." Ik bracht haar naar haar auto toen ze mijn arm greep. Ze wankelde. "Ik ben de laatste tijd zo duizelig. Misschien moet ik maar eens naar de dokter."

Ze ging naar de dokter en naar nog een dokter. Het was het mis, goed mis. Niets meer aan te doen. D. trok zich terug in haar flat en wilde niemand meer zien, zoals een kat die weet dat het einde nadert zich ergens op zolder verstopt om te gaan sterven. Ik kreeg nog één sms van haar, maar hoe ik het ook probeer, ik kan me niet precies herinneren wat erin stond. Iets van: Ik bel je nog. Zoiets.

Ik heb nooit meer iets van haar gehoord.

Nu ligt ze al weer een tijdje samen met duizenden andere dode Romeinen op een grote begraafplaats buiten de stad. Ik wilde er al heel lang een keer heen, steeds kwam er wat tussen. Maar vandaag ga ik naar D. toe.

Om bij die begraafplaats te komen is nog een heel gedoe. Ik moet een bus nemen naar het ministerie van Marine en daar weer een andere bus pakken. Die tweede bus laat ruim een half uur op zich wachten. Ik sta in de zon en denk aan D. Dat ze zoveel rookte en dat ik altijd zei dat ze reed als een vent en dat ze dan moest lachen. Als de bus arriveert, is-ie compleet leeg. Hij ruikt naar wierook. Twee haltes later stappen nog een man en een vrouw in. Daar blijft het bij.

Na veertig minuten rijden zijn we bij de begraafplaats. Ik stap uit en koop bij een bloemenstal een geel boeket voor op haar graf. Eerst moet ik naar het kantoor van de begraafplaats, want ik heb geen idee waar D. ligt. De man achter het loket vraagt me haar naam op te schrijven. Hij voert de naam van D. in : "Niets te vinden, weet u zeker dat de naam klopt?" Hij tikt en klikt nog wat. "Hier heb ik mevrouw, ze staat in een ander bestand. Vak 112 c, rij 15, graf 10." Met een blauwe pen tekent hij op een kaart waar ik moet zijn.

D. en ik hebben ooit nog samen op deze begraafplaats rondgelopen. Haar man lag er begraven en ook mijn Italiaanse oom wacht hier, in een soort van dodenflat, op de opstanding. We zwierven er een hele middag rond en vroegen ons af hoe de hemel eruit zou zien. Ik weet nog dat D. toen nog wel de mogelijkheid openliet dat er na de dood nog iets zou zijn. "Lijkt me gezellig, jongen."

Ik moet lang naar haar zoeken. Tientallen graven glijden er langs mijn ogen. Op bijna elk graf staat een foto van de overledene. Ze kijken me aan en lachen me toe alsof ze willen zeggen: "Dood? Ben je mal. Ik leef." Giovanni met zijn goed gecoiffeerde snor, Ubaldo die maar 49 werd en Bianca die nog gewoon haar zonnebril op heeft.

Ik ben al vier keer rij 15 van vak 112 c langsgelopen, als ik plotseling de foto van D. op een rotsblok zie. Ik schrik. Niet van de foto - ze ziet er prachtig uit - maar van het gevoel dat ze er heel even weer is. Alsof ze aan de andere kant van de deur staat. Maar dan zie ik het houten kruis met haar naam en sterfdatum erop en is ze er opnieuw nooit meer. Een siddering, meer was het niet.

In de bus terug naar de stad zijn we meer met weinigen. We kijken elkaar aan. Een korte blik van verstandhouding. Lotgenoten zijn we, overlevenden tegen wil en dank.

 

 

Deze column verscheen eerder in Tropuw op 18 februari 2017. 

Geschreven op: 17-3-2017

Lees volledig bericht.
 
 

Meer blogs: 1 ... - 5 - 6 - 7 - 8 - 9 - ... 71

Agenda

De nieuwe paus

'Habemus papam!' schalde er op 13 maart over het majestueuze Sint-Pietersplein in Rome. Paus Franciscus is zijn naam, maar wat weten we nu eigenlijk over de nieuwe opvolger van Petrus?

Lees meer..
Vaticaan op YouTube